Project Cerebrale Visuele Inperking

Foto Fleur Boot met vormenkaart

Bij kinderen met een verstandelijke beperking verwacht je een verhoogd risico op visuele verwerkingsproblemen door hun hersenschade of hersenontwikkelingsstoornis. Hierbij hoeft er op oogheelkundig niveau geen pathologie aanwezig te zijn, wat in de huidige kliniek cerebrale visuele inperking (CVI) wordt genoemd. CVI kan tot uiting komen in stoornissen van de visuele functies die leiden tot perceptie, de zogenoemde hogere visuele functies. Voorbeelden van hogere visuele functies zijn het detecteren van beweging, het herkennen van vormen en ruimtelijke oriëntatie. Huidige diagnostiek van hogere visuele dysfuncties, en dus CVI, vindt plaats door middel van neuropsychologische testmethodes. Het nadeel van deze testmethodes is dat zij alleen inzetbaar zijn bij kinderen met een ontwikkelingsleeftijd >4 jaar. Dit betekent dat hogere visuele functies bij kinderen met een verstandelijke beperking, maar ook bij gezonde kinderen <4 jaar met een typische ontwikkeling, tot op heden niet of moeilijk getest kunnen worden. Het gevolg is dat de prevalentie van CVI in deze groepen waarschijnlijk onderschat wordt en dat kinderen mogelijk niet de juiste visuele ondersteuning en stimulatie krijgen.

In de huidige praktijk is het bestuderen van oogbewegingen en kijkgedrag een directe manier om visuele verwerking en oogmotoriek te beoordelen. Een vertraagde visuele verwerking wordt als een verhoogd risico op CVI gezien en het beoordelen van oogbewegingen kan dus worden gebruikt als een screeningsmethode voor CVI. Het nadeel is echter dat dit is gebaseerd op observaties zonder kwantitatieve uitkomstmaat. Voor deze studie wordt er daarom voor het eerst gebruik gemaakt van een geautomatiseerde methode, waarbij oogbewegingen objectief worden gemeten. Op een tv scherm worden visuele stimuli gepresenteerd, terwijl infrarood camera’s de oogbewegingen detecteren. Instructies en feedback van de deelnemer zijn niet nodig, waardoor ook kinderen met een verstandelijke beperking kunnen worden onderzocht. Op basis van oogbewegingreacties kan er onderscheid worden gemaakt tussen normale visuele verwerking, vertraagde visuele verwerking en stoornissen in de oogmotoriek.

De resultaten van deze studie laten zien dat er een verhoogd risico bestaat van visuele verwerkingsproblematiek bij kinderen met een verstandelijke beperking, waarvan de ernst toeneemt met de mate van de verstandelijke beperking. Daarbij bestaat er een verscheidenheid aan visuele dysfuncties binnen deze groep. Kinderen met een ontwikkelingsstoornis en/of verstandelijke beperking zouden op jonge leeftijd al moeten worden gescreend en zo nodig naar onderzoekcentra voor slechtzienden worden verwezen voor verder onderzoek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *